Vorderingen bij op transport gestelde Joden

Vorderingen bij op transport gestelde Joden

Op 8 november 1943 kreeg de Gemeente Groningen een stuk van de boekhouder van de Gemeente Waterleiding binnen. Het was een antwoord op een eerder verstuurde brief van de burgemeester van Groningen. In dit binnengekomen stuk wordt medegedeeld dat Gemeente Waterleiding geen vorderingen meer heeft uitstaan bij op transport gestelde Joden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden alle Nederlandse Joden door de collaborerende overheid systematisch ontdaan van hun bezittingen en hun geld. Dit document is slechts één voorbeeld van dit verfijnde bureaucratische overheidssysteem. Eind 1942 werd bepaald dat individuele rekeningen van ‘vol-joden’ dienden te worden afgesloten. Dit kan ermee te maken hebben dat bedrijven probeerden nog geld te verkrijgen van Joodse mensen.

Opvallend aan dit briefje zijn de woorden ‘heb ik de eer’. De boekhouder is trots dat al het geld dat ze nog tegoed kregen van Joden uit Groningen bij hun terecht is gekomen. Het geld wat zij nog moesten krijgen is belangrijker dan het feit dat Joodse inwoners van Groningen al hun spullen moesten afstaan en werden weggevoerd naar concentratiekampen. Dit document is een illustratie hoe bestuurders met dergelijke zaken omgingen: als zaken die afgehandeld moesten worden in plaats van mensenlevens.

Collectie RHC Groninger Archieven

De boekhouder is trots dat al het geld dat ze nog tegoed kregen van Joden uit Groningen bij hun terecht is gekomen.