Toespraak van Commissaris van de Koningin Max van den Berg
Herdenkingsbijeenkomst op 4 mei 2008, Martinikerk, Groningen
Toespraak van Commissaris van de Koningin Max van den Berg
Herdenkingsbijeenkomst op 4 mei 2008, Martinikerk, Groningen
“Toen ze de communisten kwamen halen heb ik niets gezegd.
Ik was geen communist.
Toen ze de vakbondsleden kwamen halen heb ik niets gezegd.
Ik was geen vakbondslid.
Toen ze de joden kwamen halen heb ik niets gezegd.
Ik was geen jood.
Toen ze de katholieken kwamen halen heb ik niets gezegd.
Ik was geen katholiek.
Toen kwamen ze mij halen en er was niemand meer om iets te zeggen.”
Dames en heren,
Misschien kent u deze uit het Duits vertaalde dichtregels. Ze zijn oorspronkelijk uitgesproken door de predikant Martin Niemöller. Hij verzette zich al in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog tegen de nazi’s. Zijn woorden zijn nog altijd veelzeggend. Enerzijds geven ze heel indringend weer hoe fundamenteel vrijheid is. Niemand mag opgepakt worden vanwege zijn achtergrond, denkbeelden of uitspraken. Anderzijds geven de dichtregels aan dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Daar moeten we voor vechten. Zoals degenen deden die wij vanavond herdenken. Zoals velen dat ook vandaag – waar ook ter wereld - nog doen.
Wij zijn zo gelukkig dat wij in een vrij land leven. Maar dat ontslaat ons niet van de plicht op te komen voor vrijheid. Om ervoor te zorgen dat ons land een vrij land blíjft. Dat iedereen in onze samenleving daar in dezelfde mate gebruik van kan maken. Om eraan bij te dragen dat er vrijheid komt in landen waar dat nu níet gewoon is. Vrijheid is een groot goed. Alleen vrije mensen kunnen zichzelf zijn en zich optimaal ontplooien. Maar hoe kunnen wij die vrijheid vandaag de dag écht inhoud geven?
Ten eerste door ons te identificeren met de ander. Alle mensen zijn verschillend, tegelijkertijd zijn wij allemaal gelijk. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens gaat uit van de fundamentele gelijkheid van alle mensen. Maar lang niet alle mensen kunnen in gelijke mate van die rechten gebruik maken. Wij zijn alleen bereid om ons ervoor in te zetten dat mensenrechten voor iedereen gelden als we anderen zien als verwanten. Als net zulke burgers als wij. Maar, zult u zeggen, we zijn toch niet allemaal hetzelfde, we hebben toch ieder onze eigen identiteit? Wij Groningers zijn toch heel anders dan mensen die met een ándere culturele achtergrond hiernaartoe zijn gekomen? Die een ander geloof hebben? Of die ergens ver weg wonen?
Daar komen we op een cruciaal punt. Bestaat er zoiets als dé Nederlandse identiteit? Het antwoord is wat mij betreft ja én nee. Wij leven in een wereld waarin grenzen vervagen. Waarin mensen van land naar land trekken. En via moderne communicatiemiddelen even gemakkelijk in verbinding staan met hun buren als met de andere kant van de wereld. Juist in zo’n wereld zoeken mensen naar iets ‘eigens’. De Amerikaanse publicist Thomas Friedman beschrijft dat in zijn boek ‘The lexus and the olive tree’. De ‘lexus’ is de naam van een hightech fabriek in Japan, waar de gelijknamige auto wordt gemaakt. Die staat symbool voor de Westerse, technologische en commerciële wereld. De olijfboom staat voor traditie, lokale gebruiken en historische wortels. Friedman geeft in zijn boek aan hoe belangrijk het is mee te gaan met de moderne, wereldwijde maatschappelijke veranderingen zónder daarbij de olijfboom te kappen.
Met andere woorden: er is niets mis met behoud van eigenheid of identiteit. Behalve als dat ertoe leidt dat je anderen uitsluit. De Nederlandse identiteit bestaat, maar tegelijkertijd ook niet. Want onze identiteit verandert voortdurend. Mensen die naar Canada emigreerden en na vijftig jaar hier terugkeerden dachten ons land aan te treffen zoals ze het hadden verlaten. Daar bleek niets van te kloppen. Onze identiteit is met de tijd meegegaan. En dat is maar goed ook. Identiteit mag beweging, verandering en dynamiek nooit in de weg staan. Je identificeren met een ander betekent: vanuit je eigen identiteit open staan voor anderen. Geïnteresseerd zijn in elkaar. Identiteit verandert niet alleen, ieder mens heeft ook meerdere identiteiten. Wij zijn Groningers. Maar ook Nederlanders. En Europeanen en wereldburgers. Aan al die identiteiten mogen wij samen met anderen invulling geven. Dát is nu juist vrijheid.
Niet alleen wíj hebben het recht op die manier invulling te geven aan onze identiteit. Anderen hebben dat ook. Mensen die ver weg wonen. Maar ook bijvoorbeeld moslims die in ons land zijn komen wonen. De in 2006 overleden Nederlandse filosoof Lolle Nauta zei daarover in een interview: “Overal zijn steeds meer burgers met meer dan één identiteit. (…) Het is wereldvreemd te denken dat je in landen als Nederland een scherpe scheidslijn zou kunnen aanbrengen tussen ‘allochtonen’ en ‘autochtonen’. Hetzelfde geldt voor ‘moslims’ en ‘niet-moslims’. Ieder mens dat in Nederland leeft en moslim is, behoort tevens op honderd manieren bij de Nederlandse samenleving.” Einde citaat. Samen met al deze mensen geven wij invulling aan de Nederlandse identiteit van nu. Om dat te kunnen, is het in de eerste plaats nodig dat wij elkaar als gelijken zien. En in de tweede plaats dat wij solidair zijn met elkaar. Solidariteit is de ruggengraat van vrijheid. Niet voor niets is dat dit jaar het thema van het Nationaal Comité 4 en 5 mei.
Solidariteit kunnen wij op talloze manieren laten blijken. Bijvoorbeeld door acties te ondersteunen van organisaties als Amnesty International of Unicef, die opkomen voor de rechten van mensen en kinderen waar ook ter wereld. Maar solidariteit begint bij u en mij thuis, in de straat, in de wijk, in de stad of de provincie. Je bent solidair als je opkomt voor de rechten van een ander. Wanneer je je mond open durft te doen als je vindt dat die rechten worden geschonden. Als je in actie komt wanneer onrecht dreigt. ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden’, schreef Remco Campert. Die daden komen er niet vanzelf. Die moeten wíj verrichten. Wij kunnen er alleen sámen voor zorgen dat onze maatschappij een vrij en veilig bestaan biedt aan allen die er deel van uit maken. Op onze scholen, in verenigingen en bedrijven.
Is dat gemakkelijk? Nee. Het bouwen aan een vrije, rechtvaardige samenleving is een van de moeilijkste dingen die bestaan. Want míjn vrijheid wordt begrensd door de uwe. Hoe ver gaan we daarin? Mag iedereen zeggen wat hij of zij wil? Mag iedereen doen wat hij of zij wil? Zolang dat binnen de grenzen van wetten en regels blijft is mijn antwoord helder: ja, dat mag. Wij hebben het recht te polemiseren, te prikkelen, in opstand te komen. Zonder mensen die dat doen ontstaat een ‘vlakke’ samenleving, waar niemand zich echt betrokken bij voelt. We hebben mensen als Ayaan Hirsi Ali nodig, maar mensen als Job Cohen, die ‘de boel bij elkaar willen houden’ zijn even hard nodig. Wij hebben mensen nodig die, zoekend naar wat ons bindt, een samenleving bouwen en mensen die er af en toe tegenaan schoppen, om te kijken of dat bouwwerk wel tegen een stootje kan.
Zo ontstaat een samenleving van betrokken burgers, die geïnteresseerd zijn in elkaar en vanuit een open houding afspraken met elkaar maken. Alleen als we op die manier bruggen naar elkaar slaan, krijgt extremisme geen kans. Groningers zwerven tegenwoordig uit over de wereld. En van de studenten in onze stad komt 10% uit een ander land. Als we dat als een bedreiging zien, in onze schulp kruipen, beperken we daarmee niet alleen de vrijheid van een ander, maar ook die van onszelf. De vermenging van culturen, kennis en gewoonten biedt ons juist een geweldige kans. Als we, Groningers en Nederlanders, moslims en niet moslims, gelovig of niet gelovig, wezenlijk in elkaar geïnteresseerd zijn, elkaar als gelijken zien, kunnen we veel van elkaar leren. Dat maakt ons écht vrij.
Dames en heren,
Vandaag herdenken wij hen die vielen voor onze vrijheid. Morgen vieren we het feest van de bevrijding. Laten we ervan genieten dat we in een vrij land leven. Maar tegelijkertijd moeten we die vrijheid blijven beschermen, verdedigen en versterken. Vrijheid is er niet vanzelf. Die moet je onderhouden. Door je met de ander te identificeren, hem of haar als gelijke te zien. Door open, geïnteresseerd en solidair te zijn.
“Toen ze de joden kwamen halen heb ik niets gezegd.
Ik was geen jood.”
Martin Niemöller dichtte deze regels in de Tweede Wereldoorlog. Maar ook nu, in 2008, komt het aan op wat wíj doen. Want vrijheid delen we samen én maken we samen. Wat doen wij, wat doe ik en… wat doet u?


