Toespraak Pieter Sijpersma

Toespraak van Pieter Sijpersma, hoofdredacteur Dagblad van het Noorden, ter gelegenheid van de 4 mei herdenkingsbijeenkomst in de Groninger Martinikerk, 4 mei 2012.

Inleiding

Op 4 mei, tijdens de Dodenherdenking, staan we stil bij de Tweede Wereldoorlog. Nederland in bezettingstijd, en in ons geval, Groningen in bezettingstijd. 

Daar denken we over na, daar horen we graag verhalen over. Toen ik klein was, mocht ik graag luisteren naar de verhalen van mijn vader, die ondergedoken was, en mijn twee ooms, die als jongens allerlei baldadigheid uithaalden om de Duitsers dwars te zitten. ’s Nachts hoorde ik vliegtuigen overkomen, een geluid van de oorlog. Het boek dat de meeste indruk op me maakte, was Reis door de Nacht, van Anne de Vries. Het staat nog steeds op de planken. Later vertelde Lou de Jong op de televisie over de oorlog, en we keken allemaal, thuis. 

Juist dat het allemaal zo dichtbij is gebeurd maakt de verhalen zo indringend.
We komen geregeld langs plaatsen waar verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. We lopen door straten waar mensen uit hun huizen zijn gehaald. Dagblad van het Noorden publiceert ieder jaar een foto van zo’n straat. Zonder commentaar. Alleen het beeld van de huizen, met de huisnummers en de namen. Bert Hadders heeft naar aanleiding van zo’n twee pagina’s beslaande foto een liedje geschreven: By halve moan. 

‘Het Zuderdaip liekt zo verloaten,
alsof hier nooit meer aine komt,
gain minksen meer om mit te proaten,
de haile stad liekt wel verstomd. 

Ain lange zwaarftocht deur ’t twaiduuster.
Wel ’t overleefd het is ook dood.
Gezichten, noamen en gebruuken
langzoam verdwenen in de dook. 

Ik ben de man van de verhoalen
Deist doe al doezendmoal hest heurd.
Veurtoan zwieg ik in alle toalen,
Vergeet mor wat er is gebeurd.’ 

Maar we zwijgen niet en willen niet vergeten wat er is gebeurd. 2881 joodse stadjers zijn weggevoerd. Weinigen zijn teruggekomen. Onderduikers en verzetstrijders zijn omgekomen. Tot aan de dag van de bevrijding. 

Al ligt de dag van de bevrijding steeds verder achter ons, de verhalen komen steeds weer naar boven. En er komen nog steeds nieuwe verhalen bij.

De vragen

Eigenlijk stellen we ieder jaar, bij elke herdenking, dezelfde vragen. Wat is er gebeurd? Hoe kon het gebeuren? Wat zou ik hebben gedaan? Kan het weer gebeuren? 

Je zou je kunnen afvragen of die vragen zo langzamerhand niet genoegzaam zijn beantwoord. `Vrijheid, dat weten we nu wel.’ Of het niet tijd wordt voor andere vragen. Nee, juist niet. Het zijn precies deze vragen die telkens weer moeten stellen. Om een eenvoudige reden. De antwoorden blijven namelijk niet gelijk. Het zijn de omstandigheden waarin we verkeren die bepalen welke antwoorden we geven. En juist in een tijd als de onze, waarin de omstandigheden veranderen, en steeds sneller veranderen, moeten we onszelf deze vragen stellen. 

Laten we daarom de vaste vragen langslopen.

Accommodatie

Wat is er gebeurd? We weten wat er is gebeurd. We weten steeds meer van wat er is gebeurd in de oorlog. Na de historici zijn de schrijvers aan de beurt gekomen, en na de schrijvers de makers van films en televisie. Dat is een zegen. En we mogen er gevoeglijk van uitgaan dat er nieuwe verhalen zullen blijven komen. Wat goed is, want verhalen moeten steeds opnieuw worden verteld, op een manier die past bij de veranderende smaak en belangstelling van nieuwe generaties. 

Ik ga over naar de tweede vraag. Hoe kon het gebeuren? Ook daar is veelvuldig op geantwoord. De nasleep van de eerste Wereldoorlog, de economische crisis, de zwakke democratie, de enorme onvrede in Duitsland, de onmacht en de onderschatting van het gevaar in andere landen. Gaat u maar rustig slapen, peace for our time. 

Voor mij als maker van nieuws is de vraag naar de rol van de pers in die tijd extra interessant. De vooroorlogse media waren verzuild en reageerden op de ontwikkelingen volgens de lijnen van hun zuil. In het algemeen zou je de houding en het gedrag van de Nederlandse pers in de Tweede Wereldoorlog kunnen beschrijven met het woord accommodatie. Dat woord is geïntroduceerd door Ernst Kossman, historicus, als omschrijving voor de schikkende houding die bestuur en bedrijfsleven in de oorlog aannamen. Het was eigenlijk gehoorzaamheid, ontstaan uit angst voor verlies en onzekerheid of verzet zin zou hebben. In de praktijk betekende dat soms medewerking aan de bezetter en het wegkijken bij onderdrukking en vervolging. 

Dat geldt ook voor de voorloper van de krant die ik dien. Het Nieuwsblad van het Noorden is lang blijven verschijnen. De publicist Johan van Gelder heeft daar later hard over geoordeeld. Hij vond dat de uitgever veel eerder had moeten besluiten de uitgaven van de krant te staken. Bart Tammeling, de oprichter van het gelijknamige persbureau, kwam tot mildere conclusies. Hij toonde begrip voor het argument van de uitgever dat de krant enige honderden gezinnen een bestaan bood, waarbij hij er op wees dat het personeel na de sluiting van de krant loon bleef ontvangen, tot het moment van herverschijning.

Kinderen van de tijd

Hier dient zich de derde vraag aan. Wat zou ik hebben gedaan? Wat de juiste keuzes zijn weten we wel, dat denken we tenminste, maar hadden we die ook gemaakt?
Welke afwegingen maak je bij de keuze die je maakt? Heb je, bij voorbeeld, de plicht onderduikers in huis te nemen, om het leven van onschuldige mensen te redden? Geeft je dat ook het recht het leven van andere onschuldige mensen in de waagschaal te stellen? 

Dat zijn de morele beslissingen, die een ieder persoonlijk neemt. Gevoel speelt daarbij een rol, geloof, je overtuigingen, die abstracte ethische uitgangspunten aanreiken.
De omstandigheden tellen daarbij mee. Laten we niet vergeten, ieder mens is een kind van zijn tijd. Dat geldt ook voor de tijd van toen. Ten tijde van de opkomst en de heerschappij van het nationaalsocialisme, voelden mensen zich verbonden met instituties. De kerk, de bond, het bedrijf waar je soms je hele leven lang voor werkte. 

De dingen lagen vast, de maatschappelijke orde was een vanzelfsprekend gegeven, een ieder kende zijn plaats. De Poolse socioloog Zygmunt Bauman zei het een paar weken geleden in de Volkskrant zo: ‘Wij waren niet verantwoordelijk voor iets, maar aan iemand. Iedereen had een baas, behalve God. Verantwoordelijkheid betekende dat je precies moest doen wat je superieuren je vertelden.’ 

Daarmee kom ik op de laatste vraag: Kan het weer gebeuren? Kan er weer een Holocaust komen? Of kan er een tijd komen waarin een regime zelf straffeloos zijn tegenstanders kan aanwijzen? Kan er een situatie ontstaan waarin onze vrijheid door andere oorzaken of redenen op een fundamentele manier in het gedrang kan komen? 

Een herhaling van de Holocaust lijkt onmogelijk. Want we hebben geleerd van de Tweede Wereldoorlog. De verschrikkingen die we kennen uit onze eigen geschiedenis zien we bovendien dagelijks terug in het nieuws. We weten hoe verschrikkelijk oorlog is. Hoe verschrikkelijk onderdrukking is.

Andere tijd, andere mensen

Je zou dus zeggen: nee, het kan niet weer gebeuren, in het moderne westen, onmogelijk. Want wij zijn zo anders dan de mensen destijds. En de wereld is zo anders geworden. Wij zijn andere kinderen van een andere tijd. 

Wij leven in een tijd waarin het geloof in succesvolle politieke revoluties die leiden tot democratie en welvaart amper meer bestaat. We geloven niet meer dat enkelingen de macht kunnen grijpen. 

Daar is onze wereld te ingewikkeld voor geworden. Ook voor de politiek, voor de politici. De politiek is niet meer de stuurhut van de maatschappij. Als regeringsleiders beslissingen nemen, moeten zij maar afwachten welke gevolgen hun besluiten hebben. Ze hebben als politici niet meer de macht dingen te laten gebeuren die zij wensen. Hun invloed is beperkt tot het vermogen te beslissen welke dingen moeten gebeuren.
Maar als ze eenmaal hebben beslist, is het aan de beurzen, aan de internationale financiële markten, aan de ratingbureaus, aan de banken, de kapitaalverstrekkers, of dat ook gebeurt. 

Dus geloven we de enkelingen die zeggen dat ze anders of beter kunnen maken ook niet meer.
Tegenwoordig is er zoveel nieuws om ons heen, overal en altijd. De pluriformiteit aan media en bronnen is nog nooit zo groot geweest als nu. Wij zijn in staat onszelf te informeren. Zelf naar gegevens op zoek te gaan en zelf onze opties in kaart te brengen en af te wegen. We hebben de media, de archieven, het internet, alle anderen. We zijn gewend aan meerstemmigheid, aan debat, aan twijfel, aan onzekerheid.
We hebben bijkans een ironische levenshouding, die in elke eenvoudige oplossing een simplificatie ziet. 

We zijn, zegt Zygmunt Bauman, ons bewust van onze verantwoordelijkheid in een mate die nog nooit in de geschiedenis is voorgekomen. We weten nu zoveel, dat het excuus ik wist het niet, ik voerde slechts orders uit, niet meer mogelijk is. Als puntje bij paaltje komt, ligt het aan jezelf. De onzekerheid van nu maakt je bewust van je eigen verantwoordelijkheid. Wat er ook gebeurt, het ligt altijd aan jezelf. 

Je zou willen dat, als de wereld nu zo anders is dan in 1940, als de mensen zo anders zijn dan toen, dat de kans op herhaling navenant kleiner is geworden. U ziet, ik ben bij mijn laatste vraag aanbeland.

Verschillen en overeenkomsten

Inderdaad, de mensen zijn anders en de wereld is anders geworden. Maar veranderen mensen echt? En zijn er behalve grote verschillen met de tijd van toen ook niet grote overeenkomsten.
Wij leven in een tijd van mondialisering, een proces dat niet te stoppen is en dat diep ingrijpt in onze maatschappij, en de verworvenheden die we kennen. Politiek en macht zijn al gescheiden geraakt, en nu neemt onze afstand tot de politieke en economische macht nog verder toe. De balans in de wereld verschuift. Het is een tijd van economisch onzekerheid.
Onze welvaart, onze zekerheden, het vertrouwde: het staat allemaal op spel. Tegelijk doen zich dagelijks veranderingen in ons leven voor. Steeds meer verandert er en het gaat steeds sneller. 

Juist in deze tijd is de kans groot dat mensen teleurgesteld raken in hun politieke leiders, vanwege dat eindeloze gepalaver, confereren, gesleutel van de politiek, het gebrek aan macht, het gebrek aan visie, het gebrek aan daadkracht. Dat mensen teleurgesteld raken in Europa, dat een antwoord moest zijn op de Tweede Wereldoorlog, een garantie zelfs, maar die nu een anonieme macht ver weg is geworden, die ons leven dwars zit met onnodige regels en dure bureaucratie, onze handelingsvrijheid beknot, ons geld kost, en misschien zelfs onze sociale zekerheid en onze pensioenen aantast. 

De meeste mensen willen veiligheid en zekerheid. Over hun baan, over hun toekomst, voor hun kinderen. Op de instituties, de kerken, de bonden, de partijen, de bedrijven, kunnen we niet meer bouwen. We staan er alleen voor. 

Gelukkig hebben we alle informatie die we nodig hebben voorhanden, zou je als troost kunnen zeggen. Maar die overvloed aan informatie en nieuws kan zich tegen zichzelf keren. We zien door de bomen het bos niet meer, we verdwalen op Google. 

Het gevaar dat ons nu bedreigt is niet een terugkeer naar vroeger of een herhaling. Wat ons nu bedreigt is het gevaar dat de wereld zo ingewikkeld wordt dat we terugverlangen naar eenvoud. Dat we voor mondiale problemen lokale oplossingen zoeken, die de verleiding van de eenvoud hebben. Ze zijn gemakkelijk te begrijpen, snel verteld, en ze lijken zeer uitvoerbaar. De verkondigers ervan lijken mensen met daadkracht, geen compromissenbakkers met eindeloze mitsen en maren, maar doeners.

Pretentie van de pers

Daarom moeten de media juist nu, in deze tijd van economische benauwenis en onzekerheid, en constante verandering, zich bewust zijn van hun bijzondere positie en verantwoordelijkheid. Ze moeten niet schromen een baken te willen zijn. Dat besef en dat zelfbewustzijn moeten ze tonen. In weerwil van de concurrentie, de commercialisering, de hypes, de waan van de dag die soms lijkt te regeren. 

De grote veranderingen van deze tijd, en met name de digitalisering, hebben echter ook gevolgen voor de media zelf. De idee dat nieuws gratis is, heeft postgevat en bedreigt de toekomst en dus de onafhankelijkheid van kranten. Voor de publiek gefinancierde media dreigt een flinke verschraling. De media zullen zelf het antwoord op die uitdagingen moeten geven. Als dat niet lukt, zal het aanbod aan serieuze nieuwsgaring fors achteruitgaan. 

Dan zijn Google en Apple en Facebook heer en meester. Hoe serieus nemen dergelijke kanalen hun taak? Welk nieuws stellen zij beschikbaar? Wat zijn hun bronnen en waar sturen ze ons naar toe? Wat blijft er over van onze privacy? Wat doen ze met de gegevens die ze over ons verzamelen? Wie waakt daar over? Eigenaren en ook regeringen zijn in staat zulke aanbieders, al zijn ze nog zo groot en mondiaal, te manipuleren of gewoon te verbieden. Eigenlijk was dat voor de oorlog ook zo. 

Nog meer dan ooit is het zaak voor ons journalisten onze professionele normen te handhaven. In deze tijd van overvloed aan informatie is er juist behoefte aan een duidelijke en verantwoorde selectie van feiten en gegevens. En aan toelichting, aan duiding en verdieping. Aan opinie. 

Die professionele normen, voor alle duidelijkheid, zijn uiteindelijk ethische waarden, waar de normen voor het vak zijn afgeleid. De bepaling van de plaats van een foto is niet een esthetische maar een morele aangelegenheid. 

En dat betekent, merkwaardig genoeg, dat er voor de media, de serieuze media, ondanks de grote veranderingen die sedert 1945 hebben plaatsgevonden, de opdracht dezelfde is. Vertellen hoe het zit, hoe het echt zit. Het hele verhaal vertellen. Om overzicht in de veelheid te bieden. En waarschuwen tegen valse profeten. Want het mag niet weer gebeuren.