Nieuws

Rede 2011

Toespraak van drs. Ruud Weijdeveld, historicus, ter gelegenheid van de 4 mei herdenkingsbijeenkomst in de Groninger Martinikerk, 4 mei 2011.

Dames en heren,

De Stichting 4 Mei Herdenking Groningen heeft mij verzocht om vanavond - in het kader van deze 4-mei-herdenking - in te gaan op de gebeurtenissen, zoals die zich in Groningen hebben afgespeeld rond de Februaristaking, in het jaar 1941, nu zeventig jaar geleden. Een verzoek, waaraan ik graag voldoe. Er is weinig bekend over deze gebeurtenissen, maar ik ben erin geslaagd gedurende mijn onderzoek naar de Groningse illegaliteit, om toch hierover het een en ander te weten te komen.

Maar voor ik dat doe, wil ik eerst met u een stapje terug maken in de tijd. In het jaar 1933 was in Groningen uitgenodigd om een toespraak te houden, de Duitse schrijver Otto Heller. Hij zou spreken over het onderwerp: 'De Jodenvervolging in Duitsland.' De vergadering zou plaatsvinden op 24 mei 1933. Otto Heller was woonachtig in Tsjecho-Slowakije, maar volgde de gebeurtenissen in Duitsland op de voet. Zo zag hij al direct na de 'machtsovername' door Adolf Hitler hoe de eerste concentratiekampen voor diens politieke tegenstanders ontstonden, o.a. het later zo beruchte Dachau, dat reeds op 23 maart 1933 werd geopend. Ook volgde hij de eerste grote anti-joodse acties, met name de op 1 april 1933 in heel Duitsland afgekondigde boycot van Joodse winkels.
Maar de toespraak van Otto Heller zou nooit plaatsvinden. Op last van de commissaris van politie werd de toespraak simpelweg verboden. In een schrijven aan de gemeenteraad werd geprotesteerd door het organiserend comité, de Internationale Arbeidershulp, maar ook daar vond men geen gehoor. De zaak werd in de gemeenteraad niet in behandeling genomen en afgedaan als een 'aangelegenheid betreffende de vreemdelingendienst', aldus het verslag van de vergadering.
Als we ooit iets kunnen leren uit deze geschiedenis, dan is het wel, dat het gevaar van het opkomend fascisme niet vroeg genoeg kan worden onderkend...!

Acht jaar later zag de situatie er inmiddels wel anders uit. Nederland was bezet door Duitsland en medio 1940 waren de politieke partijen al onder toezicht gesteld van de Duitse autoriteiten of zelfs direct verboden, zoals de communistische partij. Hetzelfde gold voor de vakbonden. Van vrije meningsuiting was geen sprake meer. De eerste anti-joodse maatregelen werden voorbereid en in het diepste geheim troffen de eerste Nederlanders hun voorbereidingen voor hun tegen de Duitsers gerichte illegale activiteiten.
De maatregelen tegen de joodse burgers gingen gepaard met een steeds brutaler optreden in het openbare leven, van de kant van de Duitsers en van hun Nederlandse collaborateurs, de NSB en de WA, de knokploeg van de NSB.
In Amsterdam braken daarop hevige straatgevechten uit in de joodse buurt, waarbij op 14 februari een WA-man om het leven kwam. Als reactie daarop organiseerden de Duitse bezetters de eerste razzia's in Nederland. 621 joodse mannen werden samengedreven op het Jonas Daniel Meyer plein, ernstig mishandeld en in vrachtwagens afgevoerd.
Deze gebeurtenissen leidden tot een diepe schok onder de Amsterdamse bevolking. Op 25 februari 1941 brak in de vroege morgen een staking uit bij het trampersoneel en in de loop van de dag sloten honderdduizenden arbeiders zich hierbij aan. In Amsterdam, maar ook in omliggende gebieden, zoals de Zaanstreek en Utrecht. Het was een moedige en in het door Duitsland bezette deel van Europa ongekende uiting van protest. En het was hierom, dat de stad Amsterdam na de oorlog door onze koningin het recht kreeg, om in haar wapen de leuze 'heldhaftig, vastberaden en barmhartig' op te nemen.
De plaatselijke communistische partij speelde een belangrijke rol in de voorbereiding van de staking. Nadat deze na twee dagen door de bezetters werd onderdrukt, verspreidde zij het parool voor een nieuwe, ditmaal landelijke staking op zes maart. Het was een weinig realistisch parool, dat ook weer snel werd ingetrokken. Maar de Duitsers kregen de oproepen tot de landelijke staking in handen en waren als de dood, dat de Amsterdamse taferelen zich ook in andere delen van het land zouden gaan afspelen.
Een verhoogde waakzaamheid was het gevolg, zoals uit het verdere verloop zal blijken. Op 1 maart 1941 werden in dit kader preventief negen Groningers gearresteerd, die allen bekend stonden als communisten in de stad en provincie, onder hen diverse gemeenteraadsleden. Aangezien uit de verhoren geen aanleiding werd gevonden om te denken, dat ook in Groningen een staking werd voorbereid, werden de meesten na enkele dagen of weken vrijgelaten, alhoewel onder deze negen personen er ook drie waren, die niet meer vrij kwamen en later zouden omkomen in Duitse concentratiekampen.
Onderwijl waren er wel degelijk activiteiten gaande. Om de bevolking op de hoogte te stellen van wat er in Amsterdam was gebeurd, want in de officiële pers mocht uiteraard niets worden gemeld, werd een pamflet gemaakt. Het werd geschreven door de gepensioneerde hoofdonderwijzer Geert Sterringa, tevens oud-lid van de Groninger gemeenteraad en de Provinciale Staten.
In dit pamflet verhaalde hij van de gebeurtenissen in Amsterdam. Hij wees erop, dat de arbeiders van Amsterdam, ik citeer: '... gereed staan om de strijd te hervatten, als de terreur voortduurt en geen rekening wordt gehouden met hun levenseisen.' Dit laatste sloeg op de gedwongen uitzending van werklozen naar Duitsland en ook op andere punten, die tot ontevredenheid hadden geleid. Hij ging verder: 'Ook op u rust de plicht met de moedige arbeiders van Amsterdam en omstreken uw kracht en wil van afweer en strijd gereed te houden... Wij mogen niet dulden de gruwelijke barbaarse vervolging van onze joodse medeburgers. Wij eisen de vrijlating van alle politieke gevangenen en de ontbinding van de WA-benden en de NSB.'

Het was zonder twijfel getuigend van moed, om een dergelijk pamflet te schrijven en uit te geven. Maar Geert Sterringa en zijn medestrijders waren ervan overtuigd, dat verzet tegen de Duitsers en hun medestanders – en wel op zo groot mogelijke schaal - de enige remedie was.
De SD kwam de pamfletten echter al vroeg op het spoor. Op drie maart 1941 werd een medewerkster gearresteerd, die een stapel pamfletten thuis had liggen om ze in de binnenstad te verspreiden. Ook in de dagen daarna vertrouwden de Duitsers het niet. Er volgden meer arrestaties en de Groninger politie kreeg de opdracht om de zesde maart (de eerder genoemde datum voor de landelijke staking) de telegraaf- en telefoonkantoren in Groningen te bezetten.
Ook na de zesde maart bleven de pamfletten in verschillende delen van de stad opduiken, in telefooncellen, aangeplakt of soms zelfs huis-aan-huis verspreid. Rond de elfde maart sloegen de Duitsers hard toe. Bijna de gehele leiding van de illegale communistische partij werd opgepakt, ook werd de stencilmachine in beslag genomen. Daarop riepen de Groningers de hulp in van hun Friese kameraden. Maar toen die op twaalf maart een pak met tweeduizend pamfletten naar Groningen stuurden, werd de koerier hier, op het moment dat hij de pamfletten in ontvangst nam, opgepakt - zoals de Duitsers onmiddellijk triomfantelijk aan hun hoofdkwartier in Den Haag wisten te melden.

Deze laatste arrestatie leidde het eind van de gebeurtenissen in. Van pamfletten naar aanleiding van de Amsterdamse Februari-staking werd niets meer vernomen. Wel gingen de arrestaties in communistische kring nog maanden door, evenals in Friesland en Drenthe. Dit moest leiden tot een proces in Den Haag, waarbij rond de honderd Groningers, Friezen en Drenthen terecht zouden staan, de meeste van hen uit de stad en de provincie Groningen. Tot een proces is het nooit gekomen. Na de Duitse inval in de Sovjet-Unie in de zomer van 1941 werd de status van de gevangenen veranderd in 'Schutzhaft' - d.w.z. dat zij voor onbeperkte duur in gevangenschap werden gehouden. Zij kwamen zij terecht in de Duitse concentratiekampen. Drievierde deel van hen zou dit uiteindelijk niet overleven. Ook Geert Sterringa, de schrijver van het pamflet, naar wie in de stad later een straat werd genoemd, kwam om in één van de Duitse kampen.

De verwikkelingen rond de Februari-staking hebben, ook in Groningen, helaas niet tot stopzetting van de anti-joodse maatregelen geleid. Deze zijn doorgegaan, met de uiteindelijke deportaties ten gevolge. Toch mag het protest van 1941 niet onvergeten blijven. Het was een signaal aan de bevolking om zich teweer te stellen tegen de Duitse maatregelen, wat uiteindelijk in de loop van de oorlog ook velen hebben gedaan.

En het is in feite nog steeds een signaal. Prins Bernhard schreef in zijn voorwoord voor het in 1986 uitgegeven boek 'Verzet in Groningen' de volgende woorden: 'Helaas wordt onze wereld nog steeds geteisterd door oorlogen, wordt het recht met voeten getreden, worden mensen vervolgd, gemarteld en gedood. Het is uitermate belangrijk dat er mensen blijven bestaan die daar tegen willen vechten.' En hij sloot af met de hoop, dat het boek hen daartoe inspiratie zou geven.

Ik zou daar slechts aan toe willen voegen, dat de idealen van het verzet uiteindelijk pas zullen zijn verwezenlijkt, als een ieder, ongeacht geloof, ras of huidskleur, vrij over straat kan gaan.

Ik dank u voor uw aandacht.

Rede 2011